Heilige Geest, almachtige God, één in wezen met de Vader en de Zoon, en even eeuwig, uit Beiden voortkomend op onuitsprekelijke
wijze, gewaardig U neder te dalen in mijn hart en er met uw wonderbare luister de duisternis van mijn boosheid te verdrijven. Zoals de
schoot van een Maagd door uw tussenkomst het Woord Gods kon ontvangen, zo sta mij bij met uw genade, opdat ik mijn Heiland in mijn
geest kan dragen. Gij immers, Heer, zijt het licht der geesten, de kracht van de harten en het leven van de zielen. Gij hebt U medegedeeld
aan de heilige apostelen, opdat zij de geheimen van de verlossing der mensen volledig zouden kennen en de regel van het geloof zouden
prediken volgens de strikte grenzen der waarheid. Gij hebt de heilige martelaren de vrijmoedigheid gegeven om de vorsten der wereld niet
te vrezen en de meest uitgezochte pijnen standvastig en geduldig te doorstaan. Gij hebt gesproken door de profeten. Gij hebt in de
aartsvaders de fundamenten gelegd van het geloof. Gij hebt alle heiligen het willen en het kunnen gegeven, en bloei van allerhande
deugden, waardoor zij zijn opgegaan naar de hemel.
Hoe zal ik dan, onzalige zondaar, zonder U behouden kunnen blijven, ik die zonder uw hulp zelfs niet weet wat ik
vragen moet? Ja, Heer, als Gij U terugtrekt, leeft mijn ziel niet meer. Zoals het lichaam sterft wanneer de ziel wegkwijnt, zo moet de ziel
terstond uitdoven als Gij heengaat. Maar als uw kracht tot mijn geest komt door uw verborgen genade, dan gevoel ik, Heer, hoe hij terstond
wordt gesterkt. Trekt Gij U echter terug, gedwongen door mijn zonden, dan wordt mijn onzalige ziel aanstonds dor en bouwvallig, en is zij
zelfs onmachtig zich ijverig toe te leggen op het gebed. Daal dus in mij neer, eeuwige Levendmaker, en ontsteek in mijn ijskoude borst de
vlam van uw liefde. Laat water vloeien over mijn hoofd, en breek de stenen hardheid van mijn gemoed. Vóór het ontstaan der wereld immers
hebt Gij gezweefd boven het water, en ook nu daalt Gij om de zielen te reinigen neer in de levengevende wateren van de doopvont. Kom
daarom tot mij met het water van het berouw, en geef mij tranen tot drank in overvloed. Wee mij, ellendige zondaar. Dagelijks doe ik talloze
dingen, waarom ik schreien moest, maar schreien kan ik niet. Laat daarom de dauw van uw genade in mij druppelen, Heer, opdat mijn van
uw levensbron verstoken en verdorde ziel onder uw aandrang weer groen wordt. Zie, Heer, ik zet mijn hart volledig voor U open, ik ontvouw
U de geheimen van mijn hart, en snak ernaar dat Gij U gewaardigt tot mij in te gaan.
Het oog van het lichaam heeft zijn licht, de zichtbare zon, maar mijn binnenste ziet uit naar U, die het licht zijt van
de zielen. Verlicht mij, Gij die de blindgeborene het licht der ogen hebt gegeven. Gij die Lazarus hebt opgewekt, maak mij levend. Onzalige
ziel, gij zijt het leven van het lichaam, en ligt zelf dood terneer. Gij zijt dood voor uzelf en leeft voor een ander. Terwijl gij zelf in het donker
vertoeft, geeft gij licht aan wat buiten is. Kom dan, bid ik U, Geest van waarheid, en drijf met sterke arm alle duisternis van dwaling uit mij
weg. Vonnis wie mij schaden wil, en bevecht wie mij belagen. Grijp wapenen en schild, sta op om mij te helpen. Gij, zuiveraar en
levengever, Geest, almachtige eeuwige God, een verterend vuur zijt Gij. Gij zijt de Geest die vonnist, Gij zijt de Geest die schroeit. Grijp
mijn ziel aan, wis met uw krachtige gloed alle roest van schuld en ondeugd af, en verjaag de boze geest, uw vijand, uit al mijn zinnen. Dat
God opsta en zijn vijanden heenvluchten, en allen die Hem haten, vlieden voor zijn aangezicht. Zoals rook vervliegt, zo mogen zij
vervliegen. Als was voor het vuur, zo mogen de zondaars vergaan voor het aangezicht van God.
Kom, gezegende Geest der waarheid, treed binnen en doorvors geheel mijn binnenste. Neem alles weg wat is
aangetast, en maak mij vol van uw reinheid. Geef mij te sterven aan mijzelf, om voor U te leven. Dood in mij alle haarden van vleselijke
lust, brand mij rein van alle ondeugd, en maak mij afgestorven aan de wereld. Kom, Geest van zegening, en doortrek alle schuilhoeken
van mijn binnenste met uw zoetheid. Laat mijn ziel wegkwijnen van verlangen naar uw komst, door U worden vernieuwd en van U hemelse
kracht ontvangen. Moge mijn ziel de rijke zegening ontvangen van uw genade, Heer. Laar haar zich te goed doen aan uw onuitsprekelijke
zoetheid, opdat zij in staat mag zijn uw rijke gaven te offeren. Verlicht mij, licht der waarheid, ontsteek en zuiver mij. Gij immers zijt de gever
der genaden, de bewerker der heiligheid en de vergiffenis van alle zonden. Onophoudelijk doet Gij de engelen in liefde tot U ontvlammen.
Door de brand van uw liefde staan de Cherubijnen en de Serafijnen in overgelijkelijke gloed. Bind mij geheel aan U, o Heer, neem mij
geheel in bezit, laat mij in geen enkel opzicht buiten U staan. Maar leef Gij alleen in mij, laat mij voor U alleen leven. Gij, enig ware God, die
leeft en in heerlijkheid zijt in de volmaakte Drieëenheid door alle eeuwen der eeuwen. Amen.
Vertaling naar het Groot Gebedenboek ten gebruike van katholieke christenen voor alle dagen en tijden van het jaar [...] (Utrecht-Brussel,
Het Spectrum, 1951), p. 837-839.
H. Petrus Damiani (+ 1072)